Advies onderwijsinspectie over onderwijs op reguliere scholen aan leerlingen met autisme

Op de overheidssite over Passend Onderwijs staat een nieuwsbericht van april 2013: Reguliere scholen kunnen onderwijs bieden aan leerlingen met autisme. Daarin wordt verwezen naar aandachtspunten die de inspectie formuleerde voor onderwijs aan leerlingen met ASS.

Samengevat:
  1. Kritische capaciteit (zowel minimum als maximum)
  2. Toelatingscriteria (op voorhand duidelijk)
  3. Grote variëteit ASS-typeringen (ook zonder diagnose of indicatie welkom)
  4. Schoolinterne deskundigheid (over aanpak bij ASS)
  5. Flexibele onderwijspraktijk (structuur en regelmaat maar ook goede afstemming en flexibele organisatie)
  6. Overgangen en vroegtijdig signaleren en diagnosticeren
  7. Resultaten (ook ASS-kinderen presteren en andere leerlingen profiteren van de ASS-vaardigheden van leraren)
Daarnaast blijft maatwerk geboden en is de deskundigheid van de leraar belangrijk.

Scholen die wat ons betreft het goede voorbeeld geven staan op onze pagina School-voorbeelden in Nederland.

Logo van de Onderwijsinspectie

Het onderzoek van de inspectie heeft geleid tot zeven aandachtspunten, die kunnen bijdragen aan succesvolle integratie van ASS-leerlingen in het onderwijs:

      1. Kritische capaciteit: Het aantal ASS-leerlingen op een reguliere school zou zowel aan een minimum als aan een maximum gebonden moeten zijn.
      2. Toelatingscriteria individuele school: Als scholen selecteren bij de toelating, moeten de afwegingscriteria op voorhand duidelijk benoemd zijn.
      3. Grote variëteit ASS-typeringen: De inspectie trof binnen dezelfde scholen soms vele typeringen van ASS-leerlingen aan. Ook leerlingen zonder een officiële diagnose of leerlinggebonden financiering kunnen gebruik maken van de speciale voorzieningen.
      4. Schoolinterne deskundigheid: Specifieke kennis en vaardigheden en de interne overdracht daarvan binnen scholen, zijn noodzakelijk voor een passende pedagogische en didactische aanpak in het onderwijs aan ASS-leerlingen.
      5. Flexibele onderwijspraktijk: ASS-leerlingen zijn gebaat bij structuur en regelmaat. Tegelijkertijd moeten ze zich leren handhaven in de samenleving die soms verre van gestructureerd is. Daarom is goede afstemming en een flexibele schoolorganisatie belangrijk.
      6. Overgangen en vroegtijdig signaleren en diagnosticeren. Het onderwijsstelsel kent veel horizontale en verticale overstapmomenten. Voor ASS-leerlingen zijn die overstapmomenten soms problematisch. Vroegtijdige diagnose en tijdige aanpak bij overstappen zijn daarom belangrijke aandachtspunten.
      7. Resultaten: Integratie van sommige ASS-leerlingen komt hun welbevinden en welzijn ten goede. Deze leerlingen zien nieuwe perspectieven en hebben uitzicht op een erkende basiskwalificatie. Andere leerlingen ondervinden geen nadeel van de aanwezigheid van ASS-leerlingen. Integendeel: zij profiteren van de vaardigheden die leraren hebben opgedaan met de specifieke aanpak van ASS-leerlingen.

De onderwijsinspectie geeft echter ook een waarschuwing:

Als reguliere scholen rekening houden met bovenstaande aandachtspunten is de integratie van (een deel van de) ASS-leerlingen mogelijk. Vooral als scholen een leeromgeving van veiligheid en structuur weten te scheppen van waaruit ASS-leerlingen zich kunnen ontwikkelen. 

De inspectie waarschuwt tegelijk voor te hoge verwachtingen. Mede gegeven de huidige opvangcapaciteit van reguliere scholen is een deel van de ASS-leerlingen vooralsnog meer gebaat bij de zware extra ondersteuning in aparte voorzieningen, zoals in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Maatwerk en geleidelijkheid blijven dus geboden. Regulier onderwijs waar het kan en speciaal onderwijs waar het niet anders kan.

Dat laatste geldt ons inziens in het bijzonder voor Utrecht: daar is op dit moment een zeer beperkte opvangcapaciteit voor het grootste deel van de ASS-leerlingen (voor een deel van de ASS-leerlingen gaat het goed, die kunnen in een reguliere klas meedoen, maar ons gaat het om die andere ASS-leerlingen). Daarom gaan er relatief veel naar speciaal onderwijs (terwijl het doel van Passend Onderwijs juist is om minder leerlingen naar het speciale onderwijs te laten gaan) waar ze door het beperkte aanbod vaak op een te laag niveau moeten functioneren. Dus als we in Utrecht meer ASS-leerlingen naar het reguliere onderwijs willen laten gaan moeten er juist extra arrangementen in het reguliere onderwijs komen.

In het rapport van de onderwijsinspectie staat deze tabel van casussen die ze als basis hebben genomen voor hun adviezen - van de 3 reguliere VO's hebben er 2 aparte klassen voor ASS-leerlingen:

Tabel 2.1 Overzicht casussen: soorten scholen en speciale voorzieningen voor ondersteuning ASS-leerlingen 
(2x) Aparte ASS-klassen, stapsgewijze integratie in reguliere klassen in maximaal twee jaar, daarna waar mogelijk volledig regulier t/m eindexamen 
Gemengd, maximaal 2 leerlingen in een groep van ± 30 leerlingen t/m examen 
(verder staan er (V)SO's en SBO's in)

Andere quote uit het rapport: 

Wanneer de school geen aparte klassen inricht, maar de ASS-leerlingen ‘mengt’ met de andere leerlingen, dan hangt het aantal af van de draagkracht van de leraar, maar ook van de groep. Dit (kritische) aantal lijkt in het voortgezet onderwijs lager dan in het speciaal basisonderwijs. De vo-school vangt hooguit één of twee ASS-leerlingen per reguliere klas op.

In het voortgezet onderwijs is er dus minder plek voor ASS-leerlingen dan in het basisonderwijs, zeker wanneer de scholen geen aparte klassen inrichten zoals in Utrecht is besloten.