30 juni 2015 - Sander Dekker: in 2020 elke thuiszitter binnen 3 maanden passend onderwijs

Geplaatst 21 aug. 2015 17:08 door AutiPassend Onderwijs Utrecht   [ 19 feb. 2017 07:44 bijgewerkt ]
Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker: "Ik vind dat in 2020 geen kind langer dan drie maanden thuis mag zitten zonder aanbod van passend onderwijs." Dit zei hij tijdens het het algemeen overleg in de Tweede Kamer (zie het verslag) naar aanleiding van de 7e voortgangsrapportage passend onderwijs.

In die voortgangsrapportage staat onder andere dat leerlingen die zonder onderwijs thuiszitten (onze stichting noemt hen gewoon thuiszitters, zie Verschillende definities van thuiszitters), steeds beter in beeld komen: "Onderwijs en gemeenten registreren beter over welke leerlingen het gaat [die zonder onderwijs thuiszitten] en maken afspraken over hoe voor alle leerlingen een passende plek gevonden kan worden. Meer dan de helft van de samenwerkingsverbanden organiseert, al dan niet met de gemeenten, een doorzettingsmacht om een plek te realiseren als de partijen er samen niet uit komen.
Dat het ministerie iets al gauw een doorzettingsmacht noemt, waarbij het belang van scholen gemakkelijk de overhand kan krijgen, wordt hieronder toegelicht.

Passend onderwijs wordt pas in 2020 passend?

De Wet Passend Onderwijs is sinds 1 augustus 2014 in heel Nederland van kracht. Toch suggereert de staatssecretaris Sander Dekker met zijn uitspraak dat pas 6 jaar later verwacht wordt dat de doelstellingen van de wet ook werkelijk gehaald worden. Is dat niet vreemd? Wordt dan tot die tijd getolereerd dat scholen zich niet aan die wet houden?

Janine Scherpenberg, moeder van een thuiszitter, schreef hierover de blog Doe nog maar eens vijf jaar van hetzelfde. "[...] Nu vier jaar later… in de nieuwsberichten…. lees ik dat Sander Dekker de scholen gewoon nog even vijf jaar schenkt om alles op orde te brengen. Hiermee geeft hij dus groen licht om door te gaan met wanbeleid. Ten koste van al die kinderen waarvan de ouders beslist niet tijd krijgen om iets op orde brengen. [...]"
In het forum van Ouders Online reageerden diverse ouders op dit bericht. Bijvoorbeeld: Zelfs al zou over vijf jaar het onderwijs passend zijn voor elke leerling, dan nog hebben de huidige leerlingen daar niets aan. Het is niet alsof je straks je hele havo-opleiding nog een keer over mag doen omdat het nu een zooitje is en jij de pech hebt niet vijf jaar ouder of jonger bent.

Doorzettingsmacht bij moeilijk plaatsbare leerlingen

De verwijzing naar een "doorzettingsmacht" is afkomstig uit een onderzoek van Sardes: Richting en inrichting van Passend onderwijs in samenwerkingsverbanden. Daarin staat (zie ook de samenvatting onderaan deze pagina): 
"Iets meer dan de helft van de samenwerkingsverbanden PO (51%) en VO (60%) heeft een vorm van doorzettingsmacht geregeld of is daar mee bezig, bijvoorbeeld om zogeheten ‘moeilijk plaatsbare’ leerlingen een plek te kunnen geven.

Wat ze hieronder verstaan staat ook toegelicht: 
Bij moeilijk plaatsbare leerlingen zijn er verschillende mogelijkheden van doorzettingsmacht. Zo heeft één van de verbanden gekozen voor een ‘Gentleman agreement’. Als er sprake is van ‘moeilijk plaatsbare leerlingen’ dan wil men dat in consensus oplossen. Indien nodig kan het bestuur van het samenwerkingsverband een bindend advies opleggen. Een ander verband heeft gekozen voor actietafels. Hierbij komen relevante partijen aan tafel om te overleggen. Pas wanneer er een oplossing is, zal men de tafel weer verlaten. 

In het onderzoek is aan samenwerkingsverbanden van scholen gevraagd of zij een dergelijke doorzettingsmacht hebben georganiseerd. Hierop antwoordden zij:

Aanwezigheid "doorzettingsmacht"  PO (n=47)  VO (n=50) 
Nee 23 (49%) 20 (40%)
In ontwikkeling  16 (34%) 10 (20%)
Ja   8 (17%) 20 (40%)

Dus slechts 29% heeft op dit moment een vorm van doorzettingsmacht (28 van de 97 samenwerkingsverbanden die gereageerd hebben). Bovendien hoeft die doorzettingsmacht niet meer te zijn dan een "Gentlemen's agreement" binnen het samenwerkingsverband. 

Eén van de samenwerkingsverbanden voor VO zegt:
Er zit een knik in de zorgplicht. Er is een ontsnappingsmogelijkheid om de zorgplicht te ontduiken. Als een school zegt geen plek te hebben (bijv. de ene school kan zeggen dat de klas bij 21 leerlingen vol zit en de andere school zegt dat dit bij 25 leerlingen het geval is), dan kan een leerling worden geweigerd. Het samenwerkingsverband heeft van de besturen het mandaat gekregen om een leerling te plaatsen. Het samenwerkingsverband schakelt over het algemeen de commissie voor toewijzing en advies in die na wikken en wegen met een zwaarwegend advies kunnen komen. Het is niet de bedoeling dat leerlingen ‘boven de markt hangen’. Er zijn goede verstandhoudingen tussen de besturen en scholen zodat er over het algemeen een passende oplossing gevonden wordt.

Stichting AutiPassend Onderwijs Utrecht heeft helaas gezien dat in de gemeente Utrecht het samenwerkingsverband VO een te rooskleurig beeld schetst van passend onderwijs en thuiszitters. Sterk VO meent dat het VO in Utrecht 40 thuiszitters heeft en dat die niet thuiszitten vanwege een gebrek aan passend onderwijs. Zij zien dus ook niet de noodzaak om voor die 40, of voor de 130 andere Utrechtse thuiszitters van middelbare schoolleeftijd, een doorzettingsmacht toe te passen. De gemeente Utrecht had in 2013/2014 in totaal (PO+VO) minimaal 364 thuiszitters, dat was een groei van 28% ten opzichte van het jaar ervoor.

Update februari 2017: op passendonderwijs.nl (website van het ministerie van Onderwijs) verscheen een Handreiking Doorzettingsmacht organiseren die een helderder onderscheid maakt tussen daadwerkelijke doorzettingsmacht en de meer vrijblijvende doorzettingskracht. Ook wordt daarin goed uitgelegd hoe belangrijk de goede relatie met ouders is.

Snijvlak onderwijs en zorg: nieuwe onderwijszorgconsulenten

Naar aanleiding van discussies over kinderen met een ernstige meervoudige beperking (EMB), heeft Sander Dekker al eerder gesproken over het organiseren van nieuwe functionarissen: onderwijszorgconsulenten. De huidige onderwijsconsulenten bemiddelen alleen op het gebied van onderwijs, de nieuwe onderwijszorgconsulenten zullen ook bemiddelen tussen scholen en zorginstanties.

Sander Dekker (zie verslag): 

"Wat als er acuut iets is? Laten we afspreken dat dat via de onderwijsconsulenten loopt en dat wij vooruitlopend op die nieuwe functionarissen op het snijvlak van die twee ministeries, voor deze gevallen desnoods al naar oplossingen gaan zoeken. [...] Wij van onze kant moeten met de onderwijsconsulenten afspreken dat deze vervolgens niet meteen terugverwijzen met de woorden: sorry, maar het is voor een deel ook zorg. Zij moeten, vooruitlopend op de nieuwe situatie, alvast bekijken hoe samen met het Ministerie van VWS ook de zorgproblematiek kan worden aangesneden." 

"Er is te veel discussie geweest over de vraag wie er verantwoordelijk is voor de zorg en de onderwijstijd. Tegelijk heb ik lange tijd het vertrouwen en de verwachting gehad dat partijen eruit zouden komen. Ik moet constateren dat dat nu niet het geval is. [...] Met het Ministerie van VWS hebben wij een afspraak gemaakt, die vergelijkbaar is met de onderwijsconsulenten binnen het passend onderwijs. Ook daar zitten partijen soms naar elkaar te wijzen. Ik wil kijken of het mogelijk is om te komen tot een soort casusoverleg voor die leerlingen die echt vastlopen in het systeem op het snijvlak van onderwijs en zorg. Dat is even een hoop werk, maar in deze overgangsperiode is het terecht dat wij, om voor deze kinderen hopelijk zo snel mogelijk een oplossing bereiken, de casussen die echt vastlopen, gewoon bij de hoorns vatten."

"Veel van de casussen die zich beperkten tot het onderwijsdomein en die door de commissieleden op mijn bordje zijn gelegd, worden opgepakt door mijn mensen, maar vaak ook samen met die onderwijsconsulenten, omdat die er in het land dichtbij zitten. Dat leidt in vrijwel alle gevallen tot een oplossing. Als dat niet het geval is – ook een onderwijszorgconsulent heeft straks namelijk geen formele doorzettingsmacht – zullen we het daar echter niet bij laten zitten. Met de casussen die dan toch blijven liggen, moet wat gebeuren. Ik neem daar geen genoegen mee. Sterker nog: ik denk dat het voor de gecombineerde departementen van OCW en VWS belangrijke casussen kunnen zijn waarvan we een hoop kunnen leren. Ik zit dus niet stil totdat het is opgelost. Ik wil het niet van me af organiseren, sterker nog: waar de onderwijszorgconsulenten er niet uitkomen, wil ik met mijn mensen en met de collega’s van VWS goed bekijken wat er aan de hand is. Daarmee doen we in ieder geval het uiterste om ook op de korte termijn het een en ander te betekenen."

Wij vragen ons af in hoeverre de hulp op het snijvlak van onderwijs en zorg ook geboden zal worden aan normaal begaafde leerlingen met autisme. Op de site van Onderwijsconsulenten, op de pagina Onderwijszorgconsulenten, staat: 
De onderwijszorgconsulenten zijn beschikbaar voor knelpunten bij onderwijszorgarrangementen waarbij sprake is van een zorgindicatie uit de Wet Langdurige Zorg, de Zorgverzekeringswet of de Jeugdwet.
Deze 3 wetten zijn van toepassing bij Ernstig Meervoudig Beperkte leerlingen, maar bij leerlingen met autisme en cognitief talent die zich niet veilig voelen op school is dat meestal niet het geval. Toch hebben zij soms ook een vorm van zorg nodig op school, om hun angst en stress op school zodanig te verminderen dat zij (weer) kunnen leren.

Onderwijs op een andere locatie dan school

Naar aanleiding van een in november 2014 aangenomen motie over kinderen die niet fulltime op school onderwijs kunnen volgen, heeft de staatssecretaris in maart 2015 een onderzoek laten uitvoeren door Ecorys. Hij had toegezegd de resultaten voor de zomer aan de Kamer te presenteren, maar nu zegt hij dat het na het zomerreces wordt.

Staatssecretaris Dekker (zie verslag):

Laat ik een tipje van de sluier oplichten. Ik heb toegezegd om daarmee vóór de zomer te komen. Dat gaan we niet halen, dus dat komt onmiddellijk na de zomer. Dat komt overigens niet zozeer door de knelpunten bij het vraagstuk van passend onderwijs. Dat heeft veel meer te maken met de vraag wat je met thuisonderwijs doet. Dat is eigenlijk veel ingewikkelder. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de mogelijkheden voor maatwerk in het stelsel van passend onderwijs heel ruim voorhanden zijn. We hoeven dus ook niet te wachten om samenwerkingsverbanden, ouders en scholen daarop te wijzen. Er zijn al mogelijkheden voor kleinschalige initiatieven of het inzetten van middelen voor bijvoorbeeld expertise. Er zijn al kaders om maatwerk te leveren en de samenwerkingsverbanden en scholen zijn al verantwoordelijk om een dekkend aanbod te leveren. 

Dat dekkende aanbod kan voor een deel op school zelf worden geboden, maar voor een deel ook daarbuiten. Het is nu al mogelijk om kinderen partieel de mogelijkheid te geven niet fulltime naar school te gaan als het om wat voor reden dan ook niet kan, altijd natuurlijk met de intentie om de volledige terugkeer naar school te bevorderen. Om zo’n dekkend aanbod van goede zorg en passende plekken te garanderen is het ook mogelijk dat er met particulieren initiatieven wordt samengewerkt, bijvoorbeeld middels de inhuur van specifieke expertise of het aankopen van bepaalde middelen. Ik wijs er echter op dat het belangrijk is dat uiteindelijk de school waarbij zo’n kind staat ingeschreven, verantwoordelijk blijft voor de inzet van dat budget en uiteindelijk ook voor de kwaliteit van onderwijs. Wij willen dat de inspectie, als er wat aan de hand is, het bevoegd gezag kan aanspreken op het feit dat niet goed in dat onderwijs wordt voorzien. 

Wat op dit moment niet kan is dat we middelen direct aan de ouders geven en tegen hen zeggen: doet u er maar mee wat u zelf wilt. Ik zou het heel ingewikkeld vinden om die kant op te gaan, want wie is er dan verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs? Hoe gaan we dan toezien op de besteding van dat geld? 

Wat ook niet kan, is dat leerlingen worden ingeschreven op een andere, niet bekostigde school. Dan vloeit er op een oneigenlijke manier onderwijsgeld naar het particulier niet-bekostigde onderwijs. [...] Ik zou er zeer veel bedenkingen bij hebben om dat te veranderen. Dat vind ik om twee redenen problematisch. Aan de ene kant geef je de scholen in het stelsel van passend onderwijs en in de samenwerkingsverbanden een manier om het erg makkelijk van zich af te organiseren. Aan de andere kant: wie is in dat geval verantwoordelijk voor de goede besteding van de middelen en wie is er verantwoordelijk voor het toezicht op goed onderwijs?

Met andere woorden: ik vind het nogal ingewikkeld om het geld voor die maatwerkbudgetten bij de school weg te halen en direct aan ouders te geven dan wel in te zetten voor het particulier onderwijs. Misschien is dat iets om in de zomer op terug te komen.

Mevrouw Ypma geeft aan dat zij wil dat een aantal particuliere initiatieven voor onderwijs of een aantal particuliere initiatieven voor niet-onderwijs wordt gefinancierd. Dat zit op dit moment wel in de categorie die bij wet is uitgesloten. Voor zover ik weet is er ook geen experimenteerbepaling die het mogelijk maakt om onderwijsgeld daarnaar door te sluizen. Wellicht is het dus goed als we dat fundamenteler gaan bespreken na de zomer in de discussie over onderwijs op andere locaties. Daarvoor zal ik de voor- en nadelen op een rijtje zetten. Wat zijn de consequenties, ook voor het stelsel als geheel, als je zo’n beweging zou maken?

Samenvatting van het onderzoek onder samenwerkingsverbanden

In het vervolgonderzoek van GION (Rijksuniversiteit Groningen) Typering van samenwerkingsverbanden voor Passend Onderwijs staat een mooie samenvatting van het bovengenoemde Sardes-onderzoek: Richting en inrichting van Passend onderwijs in samenwerkingsverbanden:
  • De samenwerkingsverbanden zijn werkende weg bezig met de uitvoering van Passend onderwijs in de praktijk
  • Er zijn binnen de samenwerkingsverbanden allerlei nieuwe organen en functies in het leven geroepen waardoor het wennen is aan nieuwe rollen en posities
  • De PO-verbanden kiezen voor een meer decentrale benadering van de invoering van Passend onderwijs met meer autonomie voor de schoolbesturen, waar de VO-verbanden een meer centrale benadering hebben met minder vrijheid voor de individuele besturen
  • De vereveningsopdracht is medebepalend voor de richting en inrichting van Passend onderwijs; de vraag rijst of verbanden met een negatieve vereveningsopdracht even succesvol zullen zijn
  • Er kunnen door de toepassing van diverse financieringsmodellen bij extra ondersteuning nieuwe bekostigingsprikkels ontstaan om kosten af te wentelen (bijvoorbeeld ‘aandikken’ van ondersteuningsbehoeften van leerlingen die niet uit eigen middelen maar uit het gezamenlijk budget worden gefinancierd)
  • De behoefte aan het afleggen van verantwoording over beleidsvrijheid en financiële bestedingsruimte kan een nieuwe bureaucratie oproepen
  • Het niveau van basisondersteuning is (te) laag, of verbanden zijn (te) ambitieus
  • Een hoger niveau van basisondersteuning kan resulteren in minder leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften
  • Niet alle samenwerkingsverbanden hebben een dekkend ondersteuningsaanbod
  • Er is onduidelijkheid over de zorgplicht en het ontwikkelingsperspectief (OPP)
  • Er is blijvende aandacht nodig voor samenwerking en afstemming tussen Passend onderwijs en Jeugdzorg
  • Het strategisch/calculerend gedrag van besturen en directies vraagt aandacht
IJsbrand Jepma schreef over dit onderzoek een artikel in Didactief Online, Passend onderwijs: werk in uitvoering. Citaat daaruit: Zorgwekkend is dat PO-verbanden, maar vooral VO-verbanden, nog geen dekkend aanbod van ondersteuning lijken te hebben voor álle leerlingen. Er is bijvoorbeeld behoefte aan een aanbod voor (autistische) hoogbegaafden, havo in het VSO en arrangementen die onderwijs en zorg combineren. Geen dekkend aanbod betekent geen thuisnabij onderwijs, een veel gebezigde uitdrukking bij Passend onderwijs in samenwerkingsverbanden.

GION borduurde voort op dit onderzoek door de samenwerkingsverbanden te typeren in 2 groepen:
  1. De eerste groep is te typeren als samenwerkingsverbanden met een uitgebreide centrale dienstverlening (veel doelgroepen en veel vormen) en veel informatie op hun website over de organisatie, toewijzing en uitvoering van extra ondersteuning en veel aandacht voor het betrekken van leerkrachten bij de uitvoering van Passend onderwijs. De verantwoordelijkheid voor het betrekken van leerkrachten ligt bij de samenwerkingsverbanden én schoolbesturen.
  2. De contrasterende tweede groep van samenwerkingsverbanden heeft geen of een minder uitgebreide centrale dienstverlening, een minder informatieve website en betrekken leerkrachten relatief weinig.
Bij het PO is de verhouding tussen de 1e en 2e groep ongeveer 50/50, bij het VO valt ongeveer 2/3 onder de 1e groep.

Ander politiek nieuws over Passend Onderwijs: zie overzicht Landelijke politiek