Rugzak inleveren, en terug naar de gewone school

Het artikel "Rugzak inleveren, en terug naar de gewone school" (alternatieve download), door Julie Wevers, werd geplaatst in NRC Handelsblad d.d. 27-11-2013. 

In dit artikel staan interviews met twee autipluskinderen uit Amsterdam: een die op een speciale klas in een reguliere havo/vwo-school heeft gezeten, en een die op een speciale havo/vwo-school voor kinderen met autisme heeft gezeten.

Tekst van het artikel:

Lars (18) Met aspergersyndroom in het speciaal onderwijs

Lars (18) heeft het syndroom van Asperger. Hij zit in de zesde klas vwo van het Amsterdamse Altracollege, een van de weinige scholen voor voortgezet speciaal onderwijs in Nederland waar je een havo- of vwo-diploma kan halen.
„Ik vind het fijn op deze school. Alles is lekker duidelijk en roosterwijzingen zijn tot 0 procent gereduceerd. In het reguliere onderwijs zijn ze je als autist op een gegeven moment zat. Want je droomt zo nu en dan weg, of je hebt plotseling een afzonderneiging omdat je overprikkeld bent. Hier hebben leraren er meer begrip voor.
„Er wordt op deze school wel van je verwacht dat je de sociale vaardigheden machtig bent als je weggaat. Ik hoef op dat gebied alleen nog maar wat schaaf- en schuurwerk te verrichten, bijvoorbeeld door mijn Kees Bakels-syndroom te leren onderdrukken. Net als de hoofdpersoon uit Theo Thijssens boek Kees de Jongen denk ik vaak na over hoe een situatie anders had kunnen verlopen. Puur zelfentertainment, maar niet altijd handig.
„Op de basisschool wist ik al dat ik naar deze school zou gaan omdat ik veel begeleiding nodig heb. Ter voorbereiding adviseerde de basisschool me groep 8 al op een speciale school te doen. Dáár had ik liever niet gezeten. Als een leerling flipte, werd hij naar de time-out gebracht en dan deden ze de deur op slot. Het was eigenlijk een isoleercelletje.
„Ik zou niet naar een reguliere middelbare school willen; de cultuur is zo anders. Op mijn huidige school hebben we bijvoorbeeld twee keer per jaar werkpakkendag. Dan komt iedereen in zijn Albert Heijn- of Lidl-pakje. Ik vind dat leuk, maar op een normale school zou ik uitgejouwd worden.”

Sam (17) Met aspergersyndroom in het regulier onderwijs

Sam (17, syndroom van Asperger) zit sinds kort met een rugzakje in een reguliere havo-5-klas van het Amsterdamse Cosmicus Lyceum. Hiervoor zat hij in de special class van deze zelfde school. In zo’n klas zitten ‘rugzakleerlingen’ met autisme, maximaal veertien. De eerste drie jaar hebben ze samen les in een vast, ‘prikkelarm’ lokaal. Daar krijgen ze intensieve begeleiding.
„In het derde jaar kwam ik uit mijn schulp. Plotseling werd mijn sociale drang veel sterker dan mijn studiedrang en hierdoor bleef ik zitten. Gelukkig zat ik toen nog in de special class, waar altijd een volwassene was bij wie ik terecht kon met vragen. Over de leerstof, maar ook over problemen met vriendinnetjes die ik in de klas niet van me af kon zetten.
„De special class was de rustigste klas ever. Dat heeft mij goed geholpen om sterker in mijn schoenen te staan. Nu ik in een gewone klas zit, met zo’n dertig leerlingen, kan ik mij veel minder goed concentreren. Voor het eerst moet ik elk uur naar een ander lokaal, en dit betekent dat ik elke les moet bijkomen van de drukte op de gang.
„Dit is voor mij een heel fijne school, vooral omdat de leerkrachten hier niet snel straffen. Als er ruzie ontstaat, vragen ze heel rustig, zonder emotie, aan iedereen wat er precies is gebeurd.
„Op mijn reguliere basisschool in Amsterdam-Zuidoost werden de hele dag straffen uitgedeeld. Soms moest ik daardoor overgeven van de stress. In groep 8 gingen we op schoolkamp en bij aankomst plukte ik een blaadje van de heg om de nerven te bestuderen. Toen werd mijn juf heel boos. Ze zei: „Als je dat nog één keer doet, mag je meteen met de bus weer naar huis.”
„Met de leerlingen kon ik ook niet opschieten. Die schreeuwden, stompten en snoepten de hele dag, terwijl ik bezig was met de Griekse mythologie. Na school kocht ik hun liefde door kippenpootjes voor ze te kopen, dat werkte gelukkig waanzinnig goed.”

Gedragsexpert: De leerling is niet lastiger, er zijn te veel prikkels

Met het passend onderwijs in zicht heeft Peter Mol, directeur van het expertisecentrum Noord-Kennemerland, het drukker dan ooit. Voor zijn workshops over gedrag is veel belangstelling nu reguliere scholen meer ongeorganiseerde of drukke leerlingen verwachten – leerlingen die nu vaak nog naar het speciale onderwijs gaan.
Kinderen zijn volgens Mol niet problematischer dan vroeger. „Het onderwijs zelf is gigantisch veranderd. Zo verlangen scholen voor voortgezet onderwijs veel meer sociale vaardigheden en zelfredzaamheid.” En leerlingen staan volgens hem bloot aan veel meer prikkels. „Voor een groot aantal gewoon te veel.”
Als voorbeeld noemt Mol het leesonderwijs op de basisschool. „Toen ik begon als leerkracht zei ik: pak allemaal Pim, Frits en Ida op bladzij 5.” Toen kwam het ‘niveaulezen’ en daarmee, aldus Mol, de onrust. „De klas werd in groepjes verdeeld, op verschillende locaties. Sommige kinderen moesten met een totaal onbekende ouder mee naar de gymzaal.”
Tijdens zijn workshops geeft Mol concrete tips over prikkelvermijding. „Haal in december de kerststerren écht weg, ook de touwtjes waar ze aan hangen. Die wapperen in maart vaak nog aan het systeemplafond, vreselijk! Daar zijn zo weer leerlingen door afgeleid.”


Hoofdtekst van het artikel:

Alkmaar. „Plotseling hoorde ik in de lerarenkamer opmerkingen als: dat kind is een echte autist”, zegt oud-schooldirecteur Frank Hoogeboom. „Toen wist ik: dit kan uit de hand lopen.” Inmiddels is hij, als directeur van het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs Noord-Kennemerland, verantwoordelijk voor de ondersteuning van alle 15.000 leerlingen in zijn regio.
De diagnostische blik van leerkrachten had volgens Hoogeboom alles te maken met de in 2003 ingevoerde leerlinggebonden financiering, beter bekend als het ‘rugzakje’. Voor elk kind dat aantoonbaar behoefte had aan extra ondersteuning, kon een reguliere school extra geld krijgen. Voorwaarde was meestal dat bij een kind een ‘handicap’ of ‘stoornis’ was vastgesteld.
Hierdoor werden meer ‘etiketten’ op kinderen geplakt dan ooit – zoals de diagnoses ADHD, ODD, PDD-NOS en syndroom van Asperger. Wilma Lozowski, beleidsmedewerker bij het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). „Alleen dan kon de school voor een kind extra ondersteuning krijgen.”
Van alle leerlingen in het basisonderwijs heeft nu 1 procent een rugzakje, in het voortgezet onderwijs 1,5 procent. Mede om de groei van rugzakjes en speciaal onderwijs in te dammen wordt vanaf augustus 2014 een ingrijpende hervorming ingevoerd onder de naam ‘passend onderwijs. Schoolbesturen moeten dan elke leerling een geschikte plek bieden; leerlingen met een ‘zorgbehoefte’ moeten zoveel mogelijk naar een reguliere school.
De opmars van aandoeningen had ook te maken met de bloei van de kinder- en jeugdpsychiatrie eind vorige eeuw. Nieuwe diagnoses deden hun intrede, zoals PDD-NOS en syndroom van Asperger – lichte vormen van autisme. De kennis over bestaande aandoeningen nam fors toe, zoals die over ‘aandachtstekort met impulsiviteit’, ofwel ADHD.
De boodschap van psychiaters, psychologen en orthopedagogen luidde dat deze aandoeningen vroeg moesten worden opgespoord en behandeld, in het belang van het kind. „Terecht”, zegt Lozowski. „Maar vaak kan je als behandelaar volstaan met het analyseren van de problemen bij een kind, zonder dat je daar onmiddellijk een diagnose aan vast koppelt. Doordat het systeem hier expliciet om vroeg, kwamen die diagnoses er toch.”
De urgente boodschap uit de kinder- en jeugdpsychiatrie bereikte rond de eeuwwisseling het onderwijs. „Leerkrachten kregen plotseling te maken met allerlei diagnoses waar ze helemaal geen verstand van hadden”, zegt Hoogeboom. „Maar ze moesten er wel snel iets mee doen, anders liep de ontwikkeling van het kind gevaar.”
In 2003 deed het rugzakje zijn intrede. Hiermee konden scholen specialistische kennis over psychiatrische aandoeningen inkopen bij regionale expertisecentra. „De ambulant begeleiders van deze centra waren vaak heel goed en hoorden er al gauw helemaal bij op scholen”, zegt Hoogeboom.
Ouders en scholen waren er volgens hem „heilig van overtuigd” dat ze kinderen deze kennis niet moesten onthouden. Maar het hek ging volgens Hoogeboom van de dam. „In hoog tempo begon het aantal rugzakjes in onze regio te groeien. Tot mijn verbazing zat er ook geen enkele financiële rem op. Of je als school nou tien of twaalf rugzakjes per jaar wilde, als de aanvragen in orde waren, kreeg je die gewoon.” Het aantal leerlingen met rugzakjes steeg van 11.000 naar nu 39.000.
Tot Hoogebooms teleurstelling betekende een rugzakje lang niet altijd dat er goede hulp kwam. „Maar dan lag er wel een diagnose die een langdurig stempel voor een leerling betekende, met alle mogelijke negatieve consequenties voor vervolgonderwijs of arbeidsmarkt.”
Een aantal leerkrachten deed volgens Hoogeboom weinig met een diagnose en liet de ondersteuning liever over aan de ambulant begeleider die twee keer per maand langskwam. „Terwijl ze zelf ook geacht werden aanpassingen te doen. Bijvoorbeeld door huiswerk voor leerlingen met autisme ook op het bord te schrijven, omdat zij informatie vaak langzamer verwerken. Of door leerlingen met oppositioneel gedrag beter te begrenzen.”
Hierdoor kon een leerling ondanks de rugzak vastlopen. „Dan concludeerde de school dat sprake was van handelingsverlegenheid en werd het kind naar een speciale school verwezen, terwijl dit niet altijd nodig was.”
De drempel naar het speciale onderwijs was volgens Hoogeboom te laag. Tegelijk met het rugzakje kreeg een kind namelijk ook een ‘toelatingskaartje’ voor een speciale school. „En aangezien de inspectie van scholen voor voortgezet onderwijs steeds betere prestaties verwachtte, lag de keuze voor verwijzing naar zo’n school voor de hand.”
Vooral zogeheten cluster-4-scholen, voor leerlingen met een psychiatrische aandoening of ernstige gedragsproblemen, groeiden de afgelopen jaren spectaculair: van 14.266 leerlingen in 2007 tot 34.819 in 2011. Die groei kwam vooral door leerlingen met een vorm van autisme, die inmiddels bijna 60 procent uitmaken van de populatie van deze scholen.
Deze leerlingen – meest jongens – waren hier lang niet altijd op hun plek, zeker niet als ze slim waren. Op veel cluster-4-scholen is vmbo het hoogst haalbare. Bovendien is zo’n 30 procent van deze scholen ‘zwak’ tot ‘zeer zwak’ volgens de onderwijsinspectie. Hoogeboom: „In feite werd soms tegen ouders gezegd: uw kind heeft extra ondersteuning nodig, we sturen hem naar een zwakke school. Dat is toch raar?”
Het rugzakje had de onstuitbare groei van het dure speciale onderwijs tot staan moeten brengen. Elk kind dat dankzij het extra geldbedrag op een reguliere school kan blijven, redeneerde het ministerie van Onderwijs, is er één minder in het speciale onderwijs. Dit bleek een illusie. Het speciale onderwijs groeide door, van 54.000 leerlingen in 2003 naar 70.000 nu.
Volgens het ministerie is het zorgsysteem in het onderwijs failliet. De uitgaven voor rugzakjes en speciale scholen zijn fors gestegen, terwijl de kwaliteit van de zorg achterblijft. Zo zijn veel leerkrachten in het reguliere onderwijs – met name voortgezet onderwijs – volgens de onderwijsinspectie nog steeds niet in staat om te gaan met verschillen tussen leerlingen.
Met de introductie van passend onderwijs gaat het roer om. Het rugzakje verdwijnt. Samenwerkingsverbanden van reguliere en speciale scholen krijgen een vast budget voor extra ondersteuning, gebaseerd op leerlingental in hun regio. Daarnaast krijgen schoolbesturen zorgplicht: ze móéten zorgen dat elke leerling een geschikte onderwijsplek heeft. ‘Afschuiven’ van leerlingen naar het dure speciale onderwijs blijft mogelijk. Maar anders dan vroeger zullen reguliere scholen financieel hard worden getroffen als ze dit te vaak doen.