Nieuws‎ > ‎

Steeds meer geld naar middelbare scholen, maar het komt niet in de klas terecht

Geplaatst 10 mei 2017 12:28 door AutiPassend Onderwijs Utrecht   [ 26 okt. 2017 11:53 bijgewerkt ]
In mei 2017 werd een onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat de afgelopen 20 jaar weliswaar steeds meer geld naar middelbare scholen is gegaan, maar dat niet heeft geleid tot kleinere klassen of beter betaalde docenten. Integendeel: de klassen werden groter en de salarissen lager. In dezelfde maand constateert de Algemene Rekenkamer dat onduidelijk is waar het geld voor Passend Onderwijs aan besteed wordt.

Scholen krijgen per leerling een vast bedrag, de basisbekostiging, voor het verzorgen van het reguliere onderwijs. Het geld voor alle leerlingen samen zit in de lump sum. Dat heet zo omdat de schoolbesturen grotendeels zelf mogen beslissen hoe ze dit grote geldbedrag besteden. Daarnaast krijgen samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs extra geld om naar eigen inzichten te verdelen over scholen, de ondersteuningsbekostiging (zie Bedrag per leerling voor passend onderwijs).

Hogere basisbekostiging, maar grotere klassen en lagere salarissen

Wat het resultaat is van de basisbekostiging via de lump sum kun je lezen in het Correspondent-artikel Resultaat van twintig jaar miljarden extra naar onderwijs: minder docenten, grotere klassen, lager salaris van Frans van Haandel en Hans Duijvestijn. Als er de komende jaren weer extra geïnvesteerd wordt in het onderwijs, met de bedoeling om kleinere klassen, minder lesuren per docent en betere salarissen voor docenten te realiseren, dan is maar de vraag of dat zal lukken als de financiering via de lumpsum blijft lopen.

Marilse Eerkens beschrijft in het tegelijkertijd verschenen Correspondent-artikel Scholen mogen zelf hun geld uitgeven. Nu weten we dat leraren en leerlingen daar de dupe van zijn hoe docenten en ouders zelfs met uitgebreide wettelijke medezeggenschapsbevoegdheden toch maar weinig invloed hebben in de praktijk.

Beide artikelen zijn zeer de moeite waard om te lezen, als je wil begrijpen hoe het kan dat er wel geld is maar het niet in de klas terechtkomt.

Onduidelijk waar geld voor Passend Onderwijs aan besteed wordt

Naast de lumpsum voor het reguliere onderwijs, heeft het ministerie in 2016 een bedrag van 2,4 miljard aan ondersteuningsbekostiging besteed. In mei 2017 constateerde de Algemene Rekenkamer dat onduidelijk is waar het geld voor Passend Onderwijs aan besteed is

"De gezamenlijke opdracht van schoolbesturen als deelnemers aan het samenwerkingsverband is, om te zorgen voor extra ondersteuning van leerlingen die dat nodig hebben. Door de zwak ontwikkelde interne checks and balances kan die gezamenlijke opdracht ondersneeuwen onder de belangen van individuele schoolbesturen in het samenwerkingsverband."

"Het intern toezicht in de meeste samenwerkingsverbanden is niet onafhankelijk: zowel in het bestuur als in het interne toezicht zijn vooral 
schoolbesturen vertegenwoordigd. Ook is het de vraag of de ondersteuningsplanraden – de medezeggenschap binnen samenwerkingsverbanden – voldoende tegenwicht kunnen bieden."

De Algemene Rekenkamer doet de volgende aanbevelingen aan het Ministerie van OCW:
  1. De samenwerkingsverbanden zouden inzichtelijk moeten maken waar het geld aan is besteed en tot welke resultaten voor de leerlingen dit heeft geleid. Deze informatie moet voor alle partijen (leerlingen, ouders, leraren, schoolbesturen) openbaar zijn.
  2. De jaarverslagen en verantwoordingsstukken van de samenwerkingsverbanden zouden informatiever, eenduidiger en dus vergelijkbaarder moeten worden.
Naar aanleiding van dit rapport nam de Tweede Kamer een motie aan over onafhankelijk toezicht bij ieder samenwerkingsverband in het kader van passend onderwijs. Maar als schoolbesturen binnen een samenwerkingsverband zich niet houden aan de onderwijswetten waaronder de regels voor Passend Onderwijs, dan voldoen zij niet aan de voorwaarden voor de bekostiging en kan de minister sancties opleggen. Ook kan zij aan het bestuur van de school een toezichthouder toevoegen, als sanctie, dit is geregeld in de Wet Goed Bestuur. De onderwijsinspectie heeft dus al de rol van onafhankelijk toezicht, maar maakt voor zover wij weten geen gebruik van de mogelijkheid om sancties op te leggen. Misschien moet deze motie wel gezien worden als een oproep aan de onderwijsinspectie om strakker te handhaven, in plaats van weer een nieuwe toezichthouder!

Reactie van minister en staatssecretaris

In de Kamerbrief over niettraceerbare gelden in het onderwijs (30 mei 2017) reageert staatssecretaris Sander Dekker op het onderzoek van Van Haandel en Duijvestijn. Hij geeft aan dat het onderzoek een eenzijdig beeld geeft, maar dat de verantwoording van de lumpsumgelden wel beter kan:

"Het is niet zuiver om achteraf nieuwe doelen te plakken op oude intensiveringen en op basis hiervan de (financiële) keuzes van de sector te beoordelen. Op basis van beschikbare informatie kan ik wel degelijk bepaalde conclusies over ontwikkelingen trekken, al blijft het lastig om elke euro die in het onderwijs wordt uitgegeven specifiek te volgen. Dit laat onverlet dat maatregelen nodig zijn, en ook worden getroffen, om de verantwoording binnen de huidige lumpsumsystematiek verder te versterken."

Verder geeft de staatssecretaris aan dat het aantal leraren weliswaar is gedaald, maar dat er meer onderwijsondersteunend personeel bij is gekomen:

"Tegelijkertijd erken ik ook dat het aandeel leraren is gedaald, maar dat het aandeel onderwijsondersteuners is gestegen. De inzet van onderwijsondersteuners ligt onder andere in bewuste, onderwijskundige keuzes voor het onderwijs. Dit verlaagt de werkdruk en draagt bij aan de kwaliteit. Dit betekent ook dat de door de onderzoekers gehanteerde leerling-leraar ratio om meer nuancering vraagt: deze geeft onvoldoende zicht op de werkelijke groepsgrootte in het vo."

Minister Bussemaker schrijft in de Bestuurlijke Reactie OCW op 'Resultaten Verantwoordingsonderzoek 2016' dat ze het eens is met de conclusie dat meer transparantie nodig is en dat er al maatregelen in voorbereiding zijn die daaraan tegemoetkomen.

"Net als u zijn de staatssecretaris en ik van mening dat de transparantie en verantwoording over de inzet van de middelen voor passend onderwijs en de resultaten die worden behaald beter kunnen en moeten. In de tiende voortgangsrapportage is daarom al een aantal acties aangekondigd."

De minister geeft aan dat het lastig blijkt om
eenduidige definiëring te vinden van de gewenste 
informatie en hoe je daaraan resultaten kunt koppelen. Daardoor zullen resultaten niet eerder dan in de loop van 2018 zichtbaar zijn (als de schoolbesturen de jaarverslagen over 2017 publiceren).


"U schrijft in het rapport terecht dat de verantwoordingsinformatie van samenwerkingsverbanden openbaar moet zijn voor alle partijen, ter bevordering van de checks and balances. Daar ben ik het mee eens. 
    • Op dit moment is er wetgeving in voorbereiding die alle schoolbesturen en samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs verplicht om het jaarverslag openbaar te maken. 
    • Daarnaast heeft de Inspectie van het Onderwijs de inzet van de middelen voor extra ondersteuning onderdeel gemaakt van het financieel toezicht op zowel samenwerkingsverbanden als schoolbesturen.
    • Verder wordt dit jaar de ontwikkeling van het dashboard passend onderwijs afgerond. Hierin kunnen samenwerkingsverbanden en besturen zien hoe het samenwerkingsverband zich ontwikkelt, mede in vergelijking tot andere samenwerkingsverbanden in het land."
Ze eindigt met: 

"Met dank voor het ontvangen conceptrapport waarin waardevolle inzichten zijn opgenomen, ben ik voornemens de geconstateerde onvolkomenheden op te lossen."


Gerelateerde berichten


Ander politiek nieuws over Passend Onderwijs: zie overzicht Landelijke politiek