Thuiszitterspact: ambitie dat in 2020 geen enkel kind langer dan 3 maanden thuis

De ministeries OCW (Onderwijs) en VWS (Volksgezondheid) hebben op 13 juni 2016 een Thuiszitterspact gesloten met de PO-Raad, de VO-raad, het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om het aantal thuiszitters omlaag te brengen. Lees er meer over in het Magazine van de Thuiszitterstop 2016.

Het belangrijkste onderdeel van het pact is:
"Wij verbinden ons aan de ambitie dat in 2020 geen enkel kind langer dan drie maanden thuiszit zonder passend aanbod van onderwijs en/of zorg."

Wanneer is een kind een thuiszitter?

Sinds het Thuiszitterspact publiceert de regering jaarlijks hoeveel kinderen langer dan drie maanden thuiszitten. Hierbij beschouwt de regering kinderen die een vrijstelling van de leerplicht hebben gekregen niet als "thuiszitters", ze tellen alleen het "absoluut verzuim" en "langdurig relatief verzuim" (zie Verschillende definities van thuiszitters).

Stichting AutiPassend Onderwijs Utrecht beschouwt kinderen met een vrijstelling van de leerplicht artikel 5 onder a, kortweg vrijstelling 5a, ook als thuiszitters omdat deze kinderen geen onderwijs krijgen. In die categorie zitten vele kinderen die prima kunnen leren (zoals hoogbegaafde kinderen met autisme) voor wie de scholen niet voldoende maatwerk kunnen leveren.
Deze vrijstellingen worden typisch pas afgegeven nadat het kind al enkele maanden is uitgevallen, dus wij rekenen hen ook bij de kinderen die langer dan 3 maanden thuiszitten.

Ontwikkeling aantal thuiszitters langer dan 3 maanden

Inmiddels zouden de resultaten van het Thuiszitterspact zichtbaar moeten zijn, maar de cijfers (bronnen: zie onderaan deze pagina) laten zien dat het aantal kinderen dat langer dan drie maanden thuis zit eerder toeneemt dan afneemt.

In de eerste grafiek zie je dat van de kinderen die langer dan 3 maanden thuis zitten, de vrijstellingen 5a de hoofdmoot vormen. Het totaal aantal kinderen dat langer dan 3 maanden thuiszit zonder onderwijs komt daarmee op 10.000 in plaats van 4.500.
In de tweede grafiek zie je op welke soort school deze kinderen zaten toen ze thuiszitter werden. In het voortgezet onderwijs (geel) vallen duidelijk veel meer kinderen uit dan in het basisonderwijs (donkerblauw). Ook vallen veel kinderen uit op het (voortgezet) speciaal onderwijs (rood). Het aantal kinderen waarvan onbekend is op welke schoolsoort ze zaten toen ze thuiszitter werden, wordt steeds groter (oranje). 

Het is ook interessant om te zien hoe deze opsplitsing naar schoolsoorten verschilt tussen de categorieën van absoluut verzuim, langdurig relatief verzuim en vrijstellingen 5a. Dat is te zien in de derde grafiek. Dan valt op dat relatief verzuim langer dan 3 maanden vooral veel voorkomt bij kinderen die op een VO-school ingeschreven staan, en dat vrijstellingen 5a vooral veel voorkomen bij kinderen die voorheen in het (voortgezet) speciaal onderwijs zaten
Ook valt op dat ongeveer de helft van de vrijstellingen 5a zijn ingedeeld bij geen (voorafgaand) onderwijs (lichtblauw), en de andere helft van de vrijstellingen 5a zijn voor kinderen die eerst wel op een school zaten voordat werd besloten dat ze op geen enkele school passen. Het aantal kinderen waarvan onbekend is welke schoolsoort dat was, neemt toe. Het totaal aantal kinderen dat op een school zat voorafgaand aan een vrijstelling 5a is de laatste 4 jaar gelijk gebleven (de grens tussen oranje en lichtblauw).


Gerelateerd op deze site

Bronnen

  • DUO-IP (LPT), Tabel 3 uit Rapport_02_17.pdf, 23 januari 2019

  • DUO-IP (LPT), Tabel 15 uit Rapport_02_17.pdf, 23 januari 2019