Thuiszitters: vrijstellingen 5a sinds 2002

Op deze pagina laten we zien hoe het aantal vrijstellingen leerplicht door psychische of lichamelijke klachten enorm gegroeid is, hoe de verdeling is per laatstgenoten schoolsoort, en waarom deze kinderen als thuiszitters beschouwd moeten worden.

Wat is een vrijstelling 5a?

Artikel 5 Leerplichtwet 1969 noemt onder lid a, dat zolang de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school te worden toegelaten, de verantwoordelijke personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven.

Ouders kunnen een vrijstelling 5a aanvragen bij de leerplichtambtenaar van hun gemeente, met een verklaring van een arts. De rijksoverheid zegt op de pagina Wanneer hoeft mijn kind niet naar school?:
Het kan voorkomen dat uw kind door psychische of lichamelijke klachten niet in staat is om onderwijs te volgen. In dat geval kunt u vrijstelling aanvragen.

In de praktijk ligt het initiatief voor een vrijstelling 5a ook vaak bij de leerplichtambtenaar of jeugdarts in plaats van de ouders, als er geen school kan worden gevonden waar het kind passend onderwijs kan krijgen. Als het kind op geen enkele school kan worden ingeschreven, zijn de ouders officieel in overtreding van de Leerplichtwet en zouden zij een boete kunnen krijgen. Dat is vaak een argument om ouders aan te moedigen om akkoord te gaan met een vrijstelling 5a, terwijl de ouders wel graag willen dat hun kind passend onderwijs krijgt.

Waarom zijn kinderen met een vrijstelling 5a een thuiszitter?

Vrijwel elk kind is in staat om onderwijs te volgen, als het onderwijs maar voldoende aangepast is aan de mogelijkheden van het kind. Er zijn wel uitzonderingen, bijvoorbeeld een kind dat in coma ligt, of een kind dat in vegetatieve toestand is ("een kasplantje"). Als een kind in staat is om iets te leren, al is het iets eenvoudigs, dan is het kind gebaat bij onderwijs zodat het gericht dingen kan leren. Er zijn relatief veel kinderen met autisme en/of hoogbegaafdheid die graag willen leren en dat onder voorwaarden ook kunnen, maar toch een vrijstelling 5a hebben.

In de Kamerbrief Cijfers leerplicht en aanpak thuiszitters van 3 februari 2016 schrijft de toenmalige staatssecretaris Sander Dekker:
Binnen de groep relatief verzuim zitten zowel kinderen die spijbelen als kinderen die voor een langere periode (vier weken of langer) helemaal niet naar school gaan. Deze laatste groep werd tot nu toe thuiszitters genoemd. Ik merk dat deze term verwarring oproept. Ook absoluut verzuimers zijn immers kinderen die thuiszitten. Bovendien maakt het voor een thuiszittend kind niet uit in welke telling het meeloopt. Voor al deze kinderen is het van groot belang dat ze zo snel mogelijk weer naar school gaan. Ik kies er daarom voor om aan te sluiten bij hoe de term thuiszitters in de praktijk gebruikt wordt, namelijk als verzamelterm voor relatief verzuim langer dan vier weken (het oude begrip thuiszitter) en voor absoluut verzuimers. Voor de eerste groep hanteer ik vanaf heden de term langdurig relatief verzuim.

Met dezelfde argumenten als die Sander Dekker gebruikte, vindt Stichting AutiPassend Onderwijs Utrecht dat kinderen met een vrijstelling 5a ook kinderen zijn die thuiszitten. Voor een thuiszittend kind maakt het niet uit in welke telling het meeloopt. Ook voor deze kinderen is het van groot belang dat ze zo snel mogelijk weer onderwijs krijgen, op school of op een andere locatie, op een manier die voldoende aangepast is aan hun lichamelijke en/of psychische eigenschappen.

Onderwijsorganisaties zien vrijstellingen 5a dus niet als thuiszitter, maar wij wel, en daarom volgen wij de ontwikkeling van het aantal vrijstellingen 5a op de voet.

Aantal vrijstellingen 5a flink gestegen

In de grafiek bovenaan deze pagina (de rode kolommen) is goed te zien hoe het aantal vrijstellingen 5a is verviervoudigd in 15 jaar tijd (van 1400 naar 5600). Bij de invoering van Passend Onderwijs was het al 3 keer zo veel als in 2002/2003 (van 1400 naar 4400). Na vier jaar Passend Onderwijs was het aantal met 25% gegroeid: van 4400 naar 5600.

In de tweede grafiek zien we de verdeling per laatstgenoten schoolsoort. Daarin valt op dat de groei in vrijstellingen komt van leerlingen van het (voortgezet) speciaal onderwijs en van leerlingen zonder onderwijs. De vrijstellingen vanuit het basisonderwijs zijn na aanvankelijke groei weer verminderd, en de vrijstellingen vanuit het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs blijven schommelen rond hetzelfde aantal.

We zien dat inmiddels ongeveer de helft van de vrijstellingen 5a zijn voor kinderen die aanvankelijk wel op school zaten, maar waarvan later werd besloten dat ze niet in staat zijn om onderwijs te volgen (de grens van oranje en lichtblauw). Dit zijn de afgelopen jaren telkens bijna 2600 kinderen.

(bron van de cijfers: DUO-IP, zie paragraaf Bronnen onderaan deze pagina)

Gerelateerd op deze site

Bronnen

  • DUO-IP (LPT), 14731-VrstArt5.xls, 2013

  • DUO-IP (LPT), Tabel 15 uit Rapport_02_17.pdf, 23 januari 2019